KLEURKANARIES HOUDEN EN KWEKEN IS EEN MOOIE HOBBY
vzw SPECIAALKLUB KLEURKANARIES K.B.O.F. - LIMBURG
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
[1]     Voor alle duidelijkheid beperken we ons nog alleen tot F1-mannen omdat van F1-poppen toch algemeen bekend is volledig onvruchtbaar te zijn.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
[2]     Een mannelijke spermatozoïde is op zich zeer klein t.o.v. een vrouwelijke eicel en bevat in tegenstelling tot deze laatste slechts een heel kleine hoeveelheid , v.n.l. van de moeder afkomstig, celplasma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
[3]     Een andere, naar mijn mening meer geloofwaardige stelling houdt in dat de verschillende genen die met het geslacht te maken hebben, bij de man op de X-chromosomen ouden liggen en bij de pop op het Y-chromosoom … zoals hoogstwaarschijnlijk ook de mozaïekfactor, wat in deel 2 wordt verduidelijkt. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
[4]  Zie formulevorm voor juiste betekenis van “oorspronkelijke”  mozaïekpop.
De Mozaïekfactor … tot op het bot!
 
Speciaalclub Kleurkanaries Limburg
 
 
Zoals het opschrift het reeds laat vermoeden, wordt bij de bespreking van deze kleurslag getracht zo diep mogelijk door te dringen in de onbekende wereld van de mozaïekkanaries en bijzonder in hun afkomst en wijze van vererving. Twee zaken waarover reeds zoveel is geschreven en nog meer is gepalaverd, alles steunend op louter veronderstellingen, maar waar nog nooit iets concreets met voldoende zekerheid naar voor is gebracht, laat staan, is bewezen
Maakt U zich echter geen te grote begoochelingen, beste lezer, want ook wij kunnen daar slechts weinig aan veranderen, hoogstens trachten een diepgaande balans op te maken van wat bij mozaïeken kan en niet kan en hoe het tenslotte naar onze bescheiden mening eventueel wel zou kunnen geweest zijn.
 
Mogelijke afkomst
Twee mogelijkheden die we beide uitvoerig zullen toelichten.
1.    De mozaïekkanarie zou afkomstig zijn uit kruisingen van kapoetsensijs x kanarie.
2.    Zou het om een zuivere kanariemutatie gaan, welke er mogelijk reeds was vóóraleer de eerste kruising rond 1920 plaatsvond. Latere hybridisatie met kapoetsensijs en vrij recent met waarschijnlijk edelzanger of cini (Italiaanse type) zouden er slechts hebben toe bijgedragen het mozaïekpatroon te verbeteren.
 

1.   De mozaïekfactor afkomstig uit kapoetsensijs x kanarie

 
Omzeggens algemeen werd - en wordt nog steeds – verondersteld dat mozaïekkanaries op deze wijze zouden zijn ontstaan waarbij het lipochrome kleurenpatroon als geslachtsdimorfisme (= secundair geslachtskenmerk van de kapoetsensijspop) via de kapoetsensijsman als mozaïekpatroon op de kanarie zou zijn overgebracht. Wat wij, eerlijk gezegd, op zijn minst betwijfelen en sterker, zelfs niet meer geloven, omdat het ons gewoon genetisch onmogelijk lijkt!
 
De verervingregels bij de kweek van kruisingen, zoals in ’t geval van kapoetsensijs x kanarie, waarbij het gaat om vogels van verschillende soort en dezelfde familie, als voornamelijk ook bij de verdere kweek met hun hybriden (bastaarden) van 1-ste en 2-de generatie, respectievelijk F1 en F2 verschillen in ruime mate van de normale voortplantingsregels tussen vogels van ‘t zelfde soort zoals bv. kanarie x kanarie, sijs x sijs.
 
De wetten van Mendel zijn er ook niet integraal van toepassing omdat die slechts slaan op kruisingen van ’t zelfde ras en 't zelfde soort, m.a.w. vogels voortkomend uit  ouders van hun gelijken met overeenkomstige celinhoud.
 
Het grootste probleem bij de kweek met hybriden vormt natuurlijk de onvruchtbaarheid van de meeste F1’s en in mindere mate ook F2’s, plus daarbij nog het feit dat zij, die wel vruchtbaar zijn, veelal genetisch niet in staat lijken om bepaalde factoren of eigenschappen zoals bv. ook … de mozaïekfactor over te dragen op hun F2-nakomelingen.
Gedurfde taal die om enige toelichting vraagt, wat we hierna zullen trachten te doen.
Hybriden zijn dus, zoals gezegd, voor het grootste gedeelte onvruchtbaar en slechts zij die voortkomen uit vogels van dezelfde familie hebben enigszins kans het wel te zijn, afhangend van de graad van verwantschap tussen de soorten.
Zo zal de combinatie cini x kanarie of omgekeerd meer kans op vruchtbare F1-nakomelingen bieden dan bv. kapoetsensijs x kanarie of distelvink x kanarie, omdat eerstgenoemde van dezelfde oorsprong zijn (cini als mogelijke voorvader van de kanarie!) en bijgevolg genetisch slechts heel weinig verschillen. Hybriden van botvink of goudvink x kanarie, nochtans ook behorend tot dezelfde familie “Fringillides” zijn daarentegen meestal niet vruchtbaar.
 
 
De juiste oorzaak van onvruchtbaarheid is eigenlijk tweeërlei en moet voornamelijk gezocht worden in de cellen, met name in het chromosomale of m.a.w. de chromosomen en het extra-chromosale of celplasma.
Chromosomen: kanaries en kapoetsensijzen, net als alle vinkachtigen trouwens, bezitten 18 chromosomen, verdeeld in: één paar geslachtschromosomen, de man XX en de pop XY, en 8 paar autozomen of vrij chromosomen Ze komen in de cellen voor in homologe (= overeenkomstige) paren.
Celplasma : geleiachtige vloeistof in en rond de celkern, respectievelijk cytoplasma en protoplasma, gemakshalve celplasma genoemd, omdat beide tijdens de celdeling toch één worden. Bevat de nodige bijkomstige materie om uitbreiding (vermenigvuldiging) van  cellen en inhoud mogelijk te maken.
 
a. Invloed van de chromosomen op de voortplanting
Om algemeen uit oudervogels, die onderling min of meer verschillen, toch afstammelingen te mogen verwachten moet minstens aan een paar voorwaarden worden voldaan.
-   Eerst en vooral moet het chromosomenaantal bij beide partners logischerwijze gelijk zijn, zodat bij eventuele copulaties tussen bv. een kanarie met 18 chromosomen en een grasparkiet met 26 chromosomen NOOIT afstammelingen kunnen worden verwekt.
-   Verder moeten de genen, als vertegenwoordigers van erfelijke eigenschappen, op het ene chromosoom van elk homoloog paar in voldoende mate overeenkomen met hun allelen (of allelomorfen) op het andere chromosoom, in voornamelijk aantal, inhoud, structuur en ligging. Slechts dan kan de onderlinge biochemische aantrekkingskracht (soort magnetisme) die overeenkomstige chromosomen in normale omstandigheden op elkaar uitoefenen groot genoeg zijn om bijeen te komen en nieuwe homologe paren te vormen,  zoals het bij bastaardering tussen nauwverwante soorten doorgaans gebeurt. In het ander geval, bij onvoldoende allelomorfe overeenkomst, bij bastaardering onder minder verwante soorten kan er uit de beide gameten van de oudervogels geen volwaardige chromosoomparing plaatsvinden, waardoor de kans op nieuw leven meestal wordt gehypothekeerd. De vooral chemische structurele verschillen tussen de betreffende chromosomen zijn dan te groot en zodoende hun onderlinge adhesie te klein om als nog voldoende paarvorming mogelijk te maken.
 
b. Invloed van het celplasma op de voortplanting
Naast onderlinge chromosoomgelijkheid moet er bij bastaardering ook nog voldoende genetische overeenkomst mogelijk zijn tussen diezelfde chromosomen en het celplasma waarin ze terechtkomen. Plasma dat in normale omstandigheden alle nodige surplus aan “passend” genetisch materiaal herbergt, nodig om verdere celdeling (eigenlijk is het vermenigvuldiging van cellen!) mogelijk te maken. Wat bij kruisingenkweek niet altijd het geval is, zodat bij te grote verschillen tussen beide partners waarbij de mannelijke erfelijkheidsdragers (chromosomen) niet kunnen “gedijen” in het voor hen vreemde eicelplasma van de pop, er logischerwijze geen bevruchting kan plaatsvinden en de kans op F1 nakomelingen nagenoeg nihil wordt!
In het andere geval, als de celinhoud van de beide partners chromosomaal en extrachromosomaal niet te veel verschilt, zoals bij kapoetsensijs x kanarie, kan er dus wel bevruchting optreden en zal de bevruchte eicel (ook kiemcel, zygoot of 1ste lichaamscel) zich normaal verder kunnen ontwikkelen tot een mannelijke of vrouwelijke hybride of bastaard van de eerste generatie, kortweg F1.
 
Het al dan niet vruchtbaar zijn van deze F1-hybriden wordt evenwel veel later bepaald, ongeveer tussen de 8ste en 9de maand, bij het volwassen worden, de puberteit zeg maar, wanneer onder vooral genetisch en  hormonale invloeden het geslachtsleven op gang komt en er mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen worden gevormd, waarbij naast het celplasma vooral ook de geslachtschromosomen heel belangrijk worden.
 
Vruchtbaarheid bij F1-hybriden
Een F1-hybride bekomt steeds, net zoals afstammelingen uit normale koppeling onder soortgenoten, de helft chromosomen van vader en de andere helft van moeder. Dat is ook zo voor wat de geslachtschromosomen betreft, waarvan een mannelijke vogel er twee (XX) en een pop slechts één (X) bekomt. Van het tweede geslachtschromosoom van de pop, m.n. het  Y-chromosoom, wordt beweerd dat het onontwikkeld zou zijn en geen genen met erfelijke aanleg zou bevatten. Of dat werkelijk zo is laten we hier nog in het midden, maar komen er zeer zeker nog uitvoerig op terug, want het zou, voor wat het ontstaan van de mozaïekfactor betreft, nog wel eens belangrijker kunnen zijn dan algemeen wordt gedacht.
Bij zoogdieren o.a. ook bij de mens is het bezit van geslachtschromosomen juist andersom. De man heeft XY en de vrouw XX, waardoor ter illustratie kan gesteld dat de man dus steeds verantwoordelijk is voor het geslacht van zijn kinderen!
Wordt onvruchtbaarheid tussen partners bij kruisingenkweek grotendeels in de eicel bepaald door onvoldoende overeenkomst tussen de eicelinhoud (chromosomen, genen en plasma) van de pop en de genetische inhoud van de indringende spermatozoïde van de man, dan moeten de oorzaken van steriliteit bij F1-bastaarden eerder gezocht worden in de EIGEN geslachtscellen en meer bepaald bij één van de drie volgende mogelijkheden:
 
a.  De moeilijkheid, tot onmogelijkheid, van de respectievelijk min of meer van elkaar verschillende homologe geslachtschromosomen om bij het begin van de gameetvorming in de meiose tot de noodzakelijke paarvorming over te gaan.
     Voor nadere uitleg moeten we teruggaan naar het volwassen worden van de vogels, wanneer zich bij de man zaadcellen en bij de pop eicellen gaan ontwikkelen. Oorspronkelijk gaat het nog om cellen die zich delen net zoals elke andere soort cel, met ook dezelfde chromosomen naar inhoud en aantal. Aantal dat evenwel door moedernatuur net vóór de bevruchting moet worden gehalveerd omdat er anders na de bevruchting zygoten zouden ontstaan met een dubbel aantal aan chromosomen (18 van vader en 18 van de moeder = 36!), wat natuurlijk niet kan en ook niet mag. De natuur zorgt er dus voor dat vooraleer de zaadcel de eicel bevrucht er een soort van celdeling (= reductiedeling) plaatsvindt waardoor het chromosomenaantal in elke mannelijke en vrouwelijke gameet op de helft wordt teruggebracht. En het is bij aanvang van deze deling, wanneer alle overeenkomstige chromosomen actief worden en elkaar gaan opzoeken om homologe  paren te vormen, dat in de geslachtscellen van de F1-man, ([1]) aan de hand van onderlinge genetische overeenkomst en dominantie tussen beide, van vader en moeder afkomstige X-chromosomen, bepaald wordt welke van de toekomstige gameten aan de nodige vruchtbaarheidsvereisten voldoen … om eventueel later met een geschikte partner voor F2-nakomelingen te kunnen zorgen.
 
b.       het niet kunnen accorderen van het EIGEN zaadcel- of eicelplasma met een “vreemd aanvoelend” X-chromosoom afkomstig van de vader. Lijkt het samengaan van het chromosomale van de kapoetsensijs met het extrachromosomale, het celplasma van de kanarie, weinig of geen problemen op te leveren voor het vormen en vermenigvuldigen van de vele verschillende lichaamscellen tot volwassen mannelijke en vrouwelijke F1’s, dan lijkt diezelfde combinatie opmerkelijk minder doeltreffend voor wat de ontwikkeling van F1-gameten betreft. Geslachtscellen van mannelijke F1’s, voortkomend uit kruising van kapoetsensijs x kanariepop, bezitten één X-chromosoom van vader-kapoetsensijs en een tweede X-chromosoom van moeder kanarie alsook, en heel belangrijk, haar celplasma ([2]) waar alleen mannelijke F1-gameten van volledig kanariegehalte met X-chromosoom en plasma van de kanariemoeder, in staat zouden zijn om teruggekruist (backcross) op hun moeder of op een andere kanariepop, nakomelingen te verwekken. De andere helft met geslachtschromosoom van vader kapoetsensijs en plasma van moeder kanarie, lijkt niet levensvatbaar. Waaruit ook hier weer blijkt dat eigenschappen die gelegen zijn op het X-chromosoom van de kapoetsensijsman hoogstwaarschijnlijk niet kunnen overgaan op kanaries, zo ook de mozaïekfactor niet! Niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks via een eventuele voorafgaande crossing-over van X-kapoetsensijs naar X-kanarie, omdat het X-chromosoom van de kapoetsensijs als niet-levensvatbaar in kanarieplasma normaal reeds zou zijn uitgeschakeld vooraleer de eigenlijke reductiedeling, als enig tijdstip waarbij uitwisseling van factoren door crossing-over(s) mogelijk is, een aanvang neemt.
 
c.       een derde en laatste barrière die eventuele kanariebevruchting door een mannelijke F1-gameet met X-chromosoom van kapoetsensijsgarnituur zou kunnen beletten is het het in de genetica bekend gegeven dat in alle cellen, dus ook geslachtscellen met twee XX-geslachtschromosomen, bij zowel mens als dier, er steeds slechts één van beide “actief” aan de reductiedeling of meiose deelneemt. Ook weer wanneer de chromosomen juist vóór de deling uit hun passieve rusthouding tot actieve ontwikkeling komen om zich te verenigen tot homologe paren, zou er steeds één van beide X-chromosomen onontwikkeld en passief als een klein maar duidelijk zichtbaar hoopje chromatine (= DNA) in de celkern achterblijven.
 
Bij normale mannelijke soortgelijke geslachtscellen zou het steeds gaan om het zwakste van beide (= het meest recessieve), terwijl bij hybriden, en in ons geval bij mannelijke F1’s van kapoetsensijs x kanarie, het steeds het voor het celplasma (van kanarieoorsprong) vreemde X-chromosoom van de kapoetsensijsvader zou zijn dat inactief blijft en zich bijgevolg niet kan lenen tot enige bevruchting, hoe dan ook!
Dit wetenschappelijk gegrond fenomeen is genaamd naar zijn ontdekker, de Hr. BARR, van wie ter illustratie “de geslachtstest van Barr” gebruikt wordt in sportmiddens om het juiste geslacht te kunnen bepalen van vrouwelijke atleten van wie wordt getwijfeld.
 
Om echter volledig te zijn moet hierbij wel worden aan toegevoegd dat in dit geval, crossing-over(s) tijdens de profase (begin) van de meiose, tussen X-kanarie en X-kapoetsensijs, wel tot de mogelijkheden behoord. En meer bepaald tot het moment nl. dat het Barr-lichaampje of de chromatine van Barr is gevormd. Van dan af zijn er tussen beiden (het overblijvend chromosoom en het Barr-lichaampje) geen overlappende delen meer en wordt uitwisseling van factoren belet. Zou dat nl. niet het geval zijn dan waren ons ontegensprekelijk de meeste, om niet te zeggen alle reeds bekende geslachtsgebonden en op het X-chromosoom gelegen kleur- en tekeningsmutaties zoals o.a. agaat, bruin, isabel, pastel, satinet, ivoor, …mozaïek, enz… onthouden geweest. Want verder dan hun ontstaan (bij een pop) waren genoemde factoren zeker nooit gekomen, ware het niet dat achteraf, via zulk danige crossing-over, zijn kunnen overgaan op een kanarieman!

 Tot daar een drietal argumenten die de veronderstelling dat de mozaïekfactor via een X-geslachtschromosoom van een mannelijke F1, bij kanaries zou zijn terechtgekomen op zijn minst op een helling plaatsen en mogelijk zelfs uitsluiten. 

 Relatie tussen mozaïekfactor en geslachtsdimorfisme

Vrij algemeen werd, en wordt eigenlijk nog steeds, verondersteld dat mozaïeken zouden afstammen van de kapoetsensijs en meer bepaald van een zgn. secundair dimorfistische geslachtskenmerk van de kapoetsensijspop. Al bij al een moeilijke uitdrukking die om enige toelichting vraagt. Dimorfisme betekent kortweg tweevormigheid waarbij binnen dezelfde soort, mannelijke en vrouwelijke vogels permanent in één of meerdere kenmerken verschillen, secundaire geslachtskenmerken genoemd. Wat in het vogeljargon eigenlijk wil zeggen dat de bevedering bij meerdere soorten permanent een verschillend vrouwelijk en mannelijk kleur- en tekeningspatroon vertoont.
Secundaire geslachtskenmerken in tegenstelling tot primaire geslachtskenmerken, welke eerder slaan op lichamelijke verschillen van meer belangrijke aard zoals bijvoorbeeld alle rechtstreekse sekse verschillen tussen man en pop, eierstok t.o.v. testikels, verschil in geslachtshormonen, lichaamsbouw, enz…
De permanente vorm van dimorfisme is doorgaans rechtstreeks verbonden aan het geslacht, wanneer geslacht- en verschijningsvorm rechtstreeks genetisch gekoppeld zijn. Men spreekt dan van geslachtsdimorfisme.
Een andere bekende vorm van dimorfisme die eigenlijk niets met eerst genoemde te maken heeft, is het tijdelijke seizoensgebonden dimorfisme waarbij vooral mannelijke exemplaren bij meerdere vogelsoorten onder vnl. hormonale invloed, een zo genaamd praalkleed ontwikken à oranjewever.
Voorbeelden van geslachtsdimorfisme: zijn o.a. het man-pop verschil bij o.a. fazanten, sijzen, goudvinken, zebravinken, kapoetsensijzen,
Naast soorten met duidelijke geslachtsdimorfistische kleur- en tekeningsverschillen zijn er ook soorten zoals o.a. m zanglijsters, distelvinken … en kanaries,  die weinig of geen opvallende bevederingverschillen tussen de seksen vertonen.
 
De vererving van de secundaire dimorfistische geslachtskenmerken lijkt even mysterieus en onzeker ([3]) als deze van de mozaïekfactor zelf, waarbij het er grosso modo, volgens het merendeel der auteurs, zou op neerkomen dat het kleur- en tekeningspatroon bij mannelijke vogels hoofdzakelijk geslachtsgebonden via beide X-geslachtschromosomen zou vererven en bij poppen overwegend onafhankelijk, over de 8 paar autosomen verspreid
Wat dan in hoofdzaak zou betekenen dat nooit enig secundair geslachtskenmerk van de kapoetsensijspop, omwille van hun onafhankelijke verervingsvorm, aan de basis kan hebben gelegen van het ontstaan van mozaïekkanaries, welke zelf met voldoende zekerheid (overwegend) geslachtsgebonden vererven!
 
Allemaal goed en wel, aangenomen dat de mozaïekfactor zoals gesteld niet van de kapoetsensijs kan afkomstig zijn, maar hoe kan het dan dat bijvoorbeeld de roodfactor bij kanaries, wél van de kapoetsensijs is kunnen komen, zal menigeen zich afvragen.
Een goede vraag die eenvoudig is te verklaren door het feit dat de roodfactor onafhankelijk vererft en zodoende niet op een X-chromosoom gelegen is maar op een autosoomchromosoom. Waardoor het als vrije onafhankelijke factor, wel steeds mogelijk is om in een geschikte gameet van kanariegarnituur terecht te komen … en zo naar F2 en F3 is kunnen overgaan welke laatste reeds wordt beschouwd als kanarie.
Naast genetisch, lijkt het ook uit zuiver fysisch oogpunt niet zo evident dat het mozaïekpatroon zoals we het kennen bij de kanaries, rechtstreeks van de kapoetsensijs zou afstammen. Daartoe zijn er eigenlijk bij zowel man- als bij popkapoetsensijs weinig overeenkomende mozaïekkenmerken vast te stellen. Hoogstens  enige oranjerode vlekkerigheid op schouders, vleugels, stuit en borst bij de kapoetsensijspop zou eventueel in die richting kunnen wijzen. Vlekkerigheid die evenwel van vogel tot vogel sterk kan verschillen, net zoals ook kapoetsensijspoppen onderling sterke verschillen kunnen vertonen. Maar een bewijs op zich mogen we dat zeker niet noemen, omdat ik ervan overtuigd ben dat vooral langbevederden bij meerdere vogelsoorten soortgelijke kleurvlekken op ongeveer dezelfde plaatsen bezitten, alleen is het niet steeds even duidelijk te zien vooral omdat ze er meermaals gemaskeerd worden door dominantere, verdringende melanine(s), eumelanine in het bijzonder.
 
       Zou naar mijn bescheiden mening het ontstaan van de mozaïekfactor ook maar iets te maken hebben met geslachtsdimorfisme,
       waarin ik nogmaals geen geloof hecht, dan ben ik zelfs de mening toegedaan dat het verschil in patroon tussen man en pop eerder zou
       afkomstig zijn van de cini dan van de kapoetsensijs. Niet alleen is ook bij cini’s het verschil tussen man en pop aanwezig, maar is er
       tevens door de hun nauwe verwantschap met kanaries, beduidend meer genetische overeenkomst.
 

2.  De mozaïekfactor als zuivere kanarieaangelegenheid

 
    Aansluitend op wat er vorige aflevering is besproken en in de overtuiging dat de mozaïekfactor dus niet zou voortkomen van de kapoetsensijs, kunnen we eigenlijk niets anders dan besluiten dan dat het in de eerste plaats een zuivere kanarieaangelegenheid moet zijn geweest. Hoogstwaarschijnlijk een uitzonderlijke vorm van mutatie met kleurverschil tussen de geslachten tot gevolg. In een later stadia “aangezuiverd” door hybridisatie met eerst de kapoetsensijs en later naar Italiaans model, waarschijnlijk via de cini of via één of andere edelzangersoort (strepenedelzanger?), waardoor de betreffende kleurvlakken als ook het te veel aan phaeobruin nog meer worden beperkt en begrensd.
     De grootte van die vogeltjes (of beter hun kleinte!), hun bevederinglengte, de ligging en kwaliteit van de vetstofkleur in de veren en voornamelijk ook het feit dat ze over het algemeen weinig of geen bruine phaeomelanine bezitten, spelen hierbij ongetwijfeld de voornaamste rol.
     Kleurverschil tussen de geslachten of beter gezegd, verschil in patroon tussen mozaïekpop en –man, ontstaan als gevolg van mutatie, wat nog zal blijken, en zeker geen vorm van geslachtsdimorfisme zoals die bij meerdere vogelsoorten wel voorkomt.
     Zo ook bij kanaries waar het dimorfisme tussen man en pop doorgaans weinig opvallend is. Mogelijk oorspronkelijk nog afkomstig van de wilde kanarie als voorvader, maar in de loop der tijden waarschijnlijk selectief weg gefokt tot meer egalere lipochrome tinten. Al komen zgn. mozaïektypes met sterkere kleurvelden rond kop, schouders, stuit en borst nog wel eens voor bij vooral mannen, ook al hebben ze weinig of niets met mozaïek te maken. Het is zelfs een gekend gegeven dat wanneer men gele kanaries op een luteïnevrij dieet zou plaatsen, ze uiteindelijk nog slechts genoemd typepatroon als laatst gekleurd zouden over houden (waar de rest van de bevedering kleurloos wit is geworden).
     Andere echte vormen van kleurdimorfisme bij kanaries zijn verder nog de klassieke man-pop verschillen in onder andere intensiviteit, schimmelverdeling, bevederinglengte, helderheid, blauwstructuur, bruinbezit en noem maar op. Met name de meer algemene secundaire kleurverschillen tussen de geslachten zoals we ze wel aantreffen bij de meeste vogelsoorten, maar die in weze weinig of niets te  maken hebben met het ontstaan van de mozaïekfactor op zich.
     Het verschil in patroon bij mozaïek man en pop is naar mijn mening dus zeker geen geslachtsdimorfistisch kenmerk afkomstig van de kapoetsensijs, maar lijkt me eerder een logisch gevolg van de specifieke verervingsvorm van de mozaïekfactor, zoals we hierna zullen zien. Om tot die conclusie te kunnen komen ben ik met opzet uitgegaan van de enige zekerheid wat ons betreffende het ontstaan van de factor eigenlijk bekend is, nl. het feit dat de eerste mozaïeken met een enigszins vast patroon gedurende vele tientallen jaren uitsluitend poppen zijn geweest vooraleer een eerste mozaïekman met een enigszins vergelijkbaar uiterlijk geboren werd!
     In de beginjaren van de mozaïeken waren er dus gewoon nog geen mozaïekmannen, alleen de reeds eerder genoemde mozaïek typemannen, zo genoemd omdat ze door hun opvallende witgele of witoranje vlekkerigheid lieten veronderstellen van op zijn minst mozaïek verervend te zijn. Exemplaren met de grootste en duidelijkste opblekingen werden zelfs geacht dubbelfactorig te zijn en zelfs ook zo genoemd. Wat ze zeer zeker niet waren, want ze zijn nooit in staat geweest om met enige regelmaat mozaïeken voort te brengen, laat staan volwaardige mozaïeken.
 
En waarom is het zo belangrijk om weten dat mozaïekmannen zoveel later zijn ontstaan dan -poppen?
    Heel eenvoudig omdat dit naar mijn mening overduidelijk aantoont dat we hier bijna onmogelijk kunnen te doen hebben met één van de
    bestaande overervingvormen m.n. geslachtsgebonden of onafhankelijk. Maar eerder met een vrij onbekende afwijkende vorm van
    geslachtelijke vererving waarbij het schijnbaar zeer moeilijk moet zijn geweest en bijgevolg ook zoveel tijd heeft gevergd om voor het eerst
    een geslachtschromosoom met mozaïekgen, van een oorspronkelijke mozaïekpop ([4]) te verenigen met een overeenkomstig
    X-chromosoom van een willekeurige (niet-mozaïek!) kanarieman, in een mozaïekverervende zoon.
      Of met andere woorden om de factor van op een geslachtschromosoom van een oorspronkelijke kanariepop over te brengen op een
      zoon en die zodoende mozaïekverervend te maken. Wat dan normaal langs de klassieke weg van koppelen en terugkoppelen slechts
      een paar jaar had mogen in beslag nemen om via die mozaïekverervende (split) zonen ook aan volwaardige mozaïekkleinzonen te
      komen. En dat dit dus niet is gebeurd, maar daarentegen zo lang heeft geduurd, is naar mijn bescheiden mening zeker geen toeval te
      noemen.
      Maar moet gewoon te wijten zijn aan het feit dat het (hoofd)gen voor mozaïek bij mozaïekpoppen oorspronkelijk niet op hun
      X- geslachtschromosoom moet gelegen hebben maar …. op hun Y-chromosoom. Waardoor het bij die pop eerst nog via
      crossing-over is moeten overgaan van Y- naar X-chromosoom, vooraleer enige kans te maken eventueel bij een zoon terecht
      te kunnen komen!
    Een crossing-over als deze die zoals vooropgesteld hoogstwaarschijnlijk een zeer moeilijk verloop moet gekend hebben door 
    vooral het feit dat beide chromosomen van een koppel XY-chromosomen in de eicel van de pop niet naast elkaar gelegen zijn
    zoals XX-chromosomen in een mannelijke geslachtscel, maar onder elkaar. Waardoor crossing-over op deze wijze slechts heel
    zelden en dan nog met heel veel geluk tot stand zou kunnen komen.
    Vandaar dan ook naar alle waarschijnlijkheid het aanzienlijk tijdsverschil tussen het ontstaan van mozaïekpop en –man.